De eindeloze stoet hoogst-fascinerende modellen die tijdens haar opleiding aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam (72-28) de revue passeerde vormt nog steeds een bron van inspiratie voor haar ode aan de schoonheid van de met rijke curven toebedeelde vrouw.
Het ontstaan van een beeld begint bij haar altijd met kijken. Wat gezien is geven haar beelden terug : de ronde vormen nog iets ronder, de wulpsheid nog iets wulpser. Die beweging, het lopen, het traag gaan zitten of liggen, de billen vinden hun plek, de dijen schuiven langzaam naar voren, moet terug te voelen zijn in het beeld. Tijdens dit trage en kritische ontstaansproces vindt ze de juiste distantie die het beeld losmaakt van de letterlijk anekdote. Het gaat erom wat het beeld als totaalvorm doet met de ruimte eromheen.
“Ik hou van warme, voluptueuze vormen en wil laten zien hoe mooi de in een beeld omvatte sensualiteit van een vrouw kan zijn. Die zinnelijkheid die zowel door small als extra large gevoeld wordt, de verscholen wulpse weelderigheid.”
De meeste beelden zet Anja op met boetseerwas of klei op een ijzeren constructie, waarna ze worden afgegoten in gips. Vervolgens wordt in dit gipsmodel hevig gehakt, geslepen, gevijld en geschuurd, tot het eindresultaat in brons afgegoten kan worden, een technisch gecompliceerd en arbeidsintensief proces.
Het op die manier rechtstreeks met het materiaal bezig zijn ervaart Anja als de directe en lijfelijke benadering die de zinnelijke uitstraling van haar dames benadrukt.
Als geen ander weet zij de letterlijke zwaarte van haar vrouwen te combineren met een figuurlijke licht- en luchtigheid. |